Manumissierekest Klopman inzake Kea (1818)

Aan den Edele Achtbare

Hove van Politie en

Crimineele Justitie der

kolonie Suriname etc. etc.

Geeft met verschuldigde eerbied te kennen de weduwe Klopman geboren Winne.

Dat de negerin genaamd Kea, eertijds mij aangekomen hebbende, zig bij haar suppliant heeft vervoegd en ter hand stelde, de hier bij geannexeerde quittantie van uitkoop, met verzoek haar behulpzaam te zijn, tot het verkrijgen van derzelver vrijdoms brief.

Om welke reeden zij suppliante mits deeze de vrijheid is neemende, zich te keeren tot deeze Edele Achtbaare Raad, nedrigst verzoekende, hoogst dezelve welbehaagen mag zijn, haar suppliante te committeeren tot straatvoogdesse over genoemde negerin Kea, ten einde voor haar van deeze Edele Achtbaare Hove, te obtineren brieven van manumissie in obtima forma. ’t Welk doende etc.

Paramaribo april 1818

Per order van mijn moeder.

M. Klopman.

De bijlagen in mijn presentie vrij gegeeven aan de vrije Kea hier boven vermeld.

10 april 1819

Bramm

Fiat ut petitum

Paramaribo 6 meij 1818

C.R. Vaillant

Ter ordonnantie van den Hove

P.J. Changuion


Auteur/verzamelaar: J.F. Sang-Ajang
Nationaal Archief: filmnr. 445, inventarisnr. 700, sessie mei 1818, bijlage 14/ nr. 145/ DK:445.700.5.14.klopman